Historiek
Vanaf 1725, worden in Frankrijk Vrouwenloges opgenomen die men "Adoptieloges" noemt. Zij beschikten echter over geen enkele autonomie en hun bestaan hing volledig af van een mannenloge; hun leden kwamen uitsluitend uit de aristocratie en beoefenden de liefdadigheid. Op het einde van de 19e eeuw wordt de rechtspositie van de vrouw stilaan erkend en, ingaand op de eisen van de vrouwen ontstond in 1893 een nieuwe obediëntie, de "Grande Loge Symbolique Ecossaise mixte de France", de "Droit Humain" die in 1899, "l'Ordre Maçonnique Mixte International Le Droit Humain" zal worden.
De geschiedenis van de effectieve Vrouwelijke Vrijmetselarij begint in 1901, wanneer de Grootloge van Frankrijk aanvaardt dat een adoptieloge geënt wordt op een van haar Parijse Loges.
Deze loge en de volgende komen regelmatig samen en debatteren over dezelfde onderwerpen als de mannelijke Loges.
Vanaf 1935, stelt de Grootloge van Frankrijk voor, hen de volledige autonomie toe te kennen. Deze laatste wordt effectief in 1945, onder de titel "Union Maçonnique Féminine de France". Zeven jaar later, in 1952, kiest "l'Union Maçonnique de France" haar eigen benaming en wordt de "Grande Loge Féminine de France".
In 1959, vervangt zij de adoptieritus door de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus. Vanaf 1973, kunnen de leden van deze obediëntie eveneens andere ritussen kiezen : de Franse ritus zoals gebruikt bij het Grootoosten of de Aloude Franse ritus.
De Vrouwengrootloge van Frankrijk kent een aanzienlijke aangroei omdat vrouwen elkaar graag ontmoeten om te werken aan zichzelf en om zich te verdiepen in de algemeen menselijke vraagstellingen. Zij wenst ook vrouwen te initiëren buiten haar grenzen. En, op 20 april 1974, sticht zij in België een eerste werkplaats te Brussel, gevolgd door drie andere, te Luik, Brussel en Charleroi. Deze 4 werkplaatsen verwerven hun autonomie ten opzichte van hun moeder-obediëntie op 17 oktober 1981 om samen de Vrouwengrootloge van België te vormen.
